12 mrt Zondag 15 maart 2026: vierde zondag in veertigdagentijd – A-jaar
Johannes 9, 1-41: De blindgeborene ging zich wassen in de Siloam en kwam ziende terug.
Licht doet leven
Licht en donker: het speelt zich af in elk mensenleven, in heel onze wereld. Vaak lijkt het allemaal zo grauw. Feiten en situaties worden al vlug omlijnd met zwarte contouren. Toch weten we dat niet alleen dit tot de werkelijkheid behoort. Zoals je een glasraam maar ten volle kan ‘smaken’ met het licht van de zon erachter, zo krijgt ook ons bestaan kleur en diepte wanneer het beschenen wordt door het licht van de warme menselijkheid, van de liefde en van het geloof.
Het verhaal van de blindgeborene zoals Johannes het ons vertelt kan je vanuit verschillende gezichtshoeken lezen. Telkens graaft het dieper naar de eigenlijke inhoud en betekenis van ‘geloven’. Allereerst gaat het om de genezing van een man, die volgens joodse normen gezondigd heeft. Voor het lijden dat de mens overkomt is er slechts één verklaring: het is God die recht spreekt en veroordeelt wat verkeerd is. Ons spontaan gevoel reageert hiertegen. Het doet denken aan vroegere voorstellingen van God als een groot alziend oog. Zoals op vele plaatsen in het evangelie doorbreekt Jezus ook hier de redenering schuld te koppelen aan lijden. Hij geneest de man zonder veel omhaal van woorden. Zijn Vader is geen rechter die afrekent. Hij is het Licht dat leven schenkt. Voor de evangelist reikt de betekenis van het gebeuren verder. Doorheen de confrontatie met buren, ouders en religieuze leiders groeit de man in geloof. Vanuit een blind vertrouwen in Jezus gaat hij zich wassen in de vijver van Siloam. Doch nadien komt hij tot inzicht en erkent hij Hem als profeet, als een man van God en als de Mensenzoon. Deze innerlijke ommekeer bij de blindgeborene wordt nog duidelijker tegen de achtergrond van het toenemend ongeloof rondom hem. Wat voor de ene verhelderd werkt, verblindt de andere, met als gevolg dat aan het einde van het verhaal de genezene de enige is die werkelijk ‘ziende’ is geworden.
Tenslotte staan we met dit gebeuren aan het begin van Jezus’ proces. Niet de blinde wordt ter verantwoording geroepen, wel de man die hem genezen heeft. Voor Hem moet hij getuigen, tegenfamilieleden en farizeeën in. Wanneer de joden hem uit de synagoge werpen, dan doen ze dat eigenlijk met Jezus, wiens doodvonnis reeds lang getekend is, maar waarvoor nog een goede aanleiding ontbreekt. De blindgeborene gelooft dus niet enkel in Jezus, hij is zelfs bereid om nu reeds zijn kruis van haat en minachting mee te dragen, net zoals Simon van Cyrene dit zal doen op weg naar Golgota.
Padre Nikolaas Devynck o.s.b.
monnik van de Sint-Andriesabdij-Zevenkerken
Gewezen padre Infra Noord – Sint-Kruis-Brugge
Johannes 9, 1-41:
In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan een man, die blind was van zijn geboorte af. Zijn leerlingen vroegen Hem: “Rabbi, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?” Jezus antwoordde: “Noch hij, noch zijn ouders hebben gezondigd, maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden. Wij moeten de werken van Hem, die Mij gezonden heeft, verrichten zolang het dag is. Er komt een nacht en dan kan niemand werken. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld.” Toen Hij dit gezegd had, spuwde Hij op de grond, maakte met het speeksel slijk, bestreek daarmee de ogen van de man en zei tot hem: “Ga u wassen in de vijver van Siloam,” – dat betekent: gezonden – Hij ging er naar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan. Zijn buren nu en degenen, die hem vroeger hadden zien bedelen, zeiden: “Is dat niet de man, die zat te bedelen?” Sommigen zeiden: “Inderdaad, hij is het.” Anderen: “Nee, hij lijkt alleen maar op hem.” Hijzelf zei: “Ik ben het.” Toen vroegen ze hem: “Hoe zijn dan uw ogen geopend?” Hij antwoordde: “De man die Jezus heet, maakte slijk, bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij: Ga naar de Siloam en was u. Ik ben dus gegaan, waste mij en kon zien.” Ze vroegen hem toen: “Waar is die man?” Hij zei: “Ik weet het niet.” Men bracht nu de man, die blind geweest was bij de Farizeeën; de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend, was namelijk een sabbat. Ook de Farizeeën vroegen hem dus, hoe hij het gezicht herkregen had. Hij zei hun: “De man die Jezus heet, deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie.” Toen zeiden sommige Farizeeën: “Die man komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat niet.” Anderen zeiden: “Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?” Zo was er verdeeldheid onder hen. Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen: “Wat zegt gijzelf van Hem, daar Hij u de ogen geopend heeft?” Hij antwoordde: “Hij is een profeet.” De Joden wilden niet van hem aannemen, dat hij blind was geweest en het gezicht herkregen had, eer zij de ouders van de genezene hadden laten komen. Zij stelden hun toen de vraag: “Is dit uw zoon, die volgens uw zeggen blind geboren is? Hoe kan hij dan nu zien?” Zijn ouders antwoordden: “Wij weten, dat dit onze zoon is en dat hij blind is geboren, maar hoe hij nu zien kan, weten we niet; of wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet. “Vraagt het hemzelf hij is oud genoeg en hij zal zelf zijn woord wel doen.” Zij ouders zeiden dit, omdat zij bang waren voor de Joden, want de Joden hadden reeds afgesproken dat al wie Hem als Messias beleed, uit de synagoge gebannen zou worden. Daarom zeiden zijn ouders: Hij is oud genoeg, vraag het hemzelf. Voor de tweede maal riepen de Farizeeën nu de man die blind was geweest bij zich en zeiden hem: “Geef eer aan God. Wij weten dat de man, die Jezus heet, een zondaar is.” Hij echter antwoordde: “Of Hij een zondaar is, weet ik niet. Eén ding weet ik wel: dat ik blind was en nu zie.” Daarop vroegen zij hem wederom: “Wat heeft Hij met u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?” Hij antwoordde: “Dat heb ik al verteld, maar gij hebt niet geluisterd. Waarom wilt gij het opnieuw horen? Wilt ook gij soms leerlingen van Hem worden?” Toen zeiden zij smalend tot hem: “Jij bent een leerling van die man, wij zijn leerlingen van Mozes. Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van deze weten wij niet waar Hij vandaan is.” De man gaf hun ten antwoord: “Dit is toch wel wonderlijk, dat gij niet weet vanwaar Hij is; en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend. Wij weten dat God niet naar zondaars luistert, maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet, dan luistert Hij naar zo iemand. Nooit in der eeuwigheid heeft men gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend. Als deze man niet van God kwam, had Hij zo iets nooit kunnen doen.” Zij voegden hem toe: “In zonden ben je geboren, zo groot als je bent, en jij wilt ons de les lezen?” Toen wierpen zij hem buiten. Jezus vernam dat men hem buitengeworpen had en toen Hij hem aantrof, zei Hij: “Gelooft ge in de Mensenzoon?” Hij antwoordde: “Wie is dat Heer? Dan zal ik in Hem geloven.” Jezus zei hem: “Gij ziet Hem, het is Degene die met u spreekt.” Toen zei Hij: “Ik geloof, Heer.” En hij wierp zich voor Hem neer. En Jezus sprak: “Tot een oordeel ben ik in deze wereld gekomen, opdat de nietzienden zouden zien en de zienden blind worden.” Enkele Farizeeën die bij Hem stonden, hoorden dit en zeiden tot Hem: “Zij wij soms ook blind?” Jezus antwoordde: “Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben, maar nu gij zegt: wij zien, blijft uw zonde.”
Copyright afbeelding: Kerknet – Otheo
Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.