18 jun Zondag 22 juni 2025: 12de zondag door het jaar
Lc 9, 18-24: Jezus stelt zijn leerlingen de vraag: “Wie zegt gij dat Ik ben?”
Jezus als vraag, als antwoord, als voorbeeld
Het zoeken naar een eigen identiteit is belangrijk voor elke mens, gelovig of niet. Onze tijd is hiervoor bijzonder gevoelig. De spanningen binnen Oost-Europa en het Midden-Oosten in de laatste jaren en maanden hebben laten zien hoe vernietigend de gedwongen uniformiteit opgelegd door het communistisch en andere regimes, gewerkt heeft. Bevolkingsgroepen komen op of bevechten hun zelfstandigheid en koppelen recht op leven en overleven aan het behoud van hun eigen cultuur, taal en godsdienst. Men wil niet meer opgeslorpt worden door een politieke structuur die elk respect voor de menselijke persoon en voor de nationaliteit mist. De vraag naar de eigen identiteit als mens en als gelovige is dus niet overbodig. Ze raakt elke vezel van het bestaan en heeft te maken met het verlangen naar geluk en zinvolheid dat in elke mens verankerd zit.
De vraag die Jezus vandaag aan zijn leerlingen stelt, is dus geen verrassing. Nieuw is wel dat Jezus ze voorlegt aan zijn leerlingen. Hij doet dit bewust, omdat het én voor hen én voor Hemzelf belangrijk is dat zij zich openlijk tegenover elkaar uitspreken. Voor Lucas is dit fragment dan ook het scharnierstuk binnen het geheel van zijn getuigenis. De manier waarop hij de vraag naar identiteit omkadert, bevat meteen enkele aanzetten om het vervolg van de tocht te verstaan en om voor onszelf een antwoord te vinden dat ons geloof en ons leven dichter bij elkaar brengt. De vraag die Jezus aan zijn leerlingen stelt, zit heel concreet ingebed in wat zij zopas samen meemaakten. De confrontatie met de noden van zoveel mensen en met het levengevend gebaar van de broodvermenigvuldiging, doet elke betrokkene nadenken over zichzelf, over hun onderlinge band en over de betekenis van wat zich in het optreden van Jezus aan het voltrekken is.
Petrus’ antwoord is een poging om uit te zeggen wat hij vermoedt, doch volgens Lucas zal er pas echte klaarheid komen omtrent zijn persoon en zijn zending wanneer de leerlingen een tweevoudig beeld van hun Meester in zich opnemen: dat van een biddende man én dat van een gekruisigde vriend. Het eerste behoort reeds tot hun ervaring. Het tweede staat hen nog te wachten en wordt pas nu aangekondigd. Dat zij thans als omkadering dienen voor de cruciale vraag: “wie zegt gij dat Ik ben” (v.20), wijst erop dat zowel in zijn diepe verbondenheid met de Vader als in zijn liefdevolle zelfgave tot het uiterste toe het antwoord te vinden is. In beide heeft Jezus zichzelf laten kennen zoals Hij is. Juist deze geloofservaring hebben wij in de voorbije paastijd bezongen, uitgesproken en samen gevierd en daarom mogen wij ze vandaag laten meespreken bij het aanhoren van het evangelie.
Padre Nikolaas Devynck o.s.b., ere-aalmoezenier bij Defensie
monnik van Sint-Andriesabdij-Zevenkerken
Lucas 9, 18-22:
18Toen Jezus eens alleen aan het bidden was en zijn leerlingen bij Hem kwamen stelde Hij hun de vraag: “Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?”19Zij antwoordden: “Johannes de Doper, anderen zeggen: Elia, en weer anderen: een van de oude profeten is opgestaan.” 20Hierop zei Hij tot hen: “Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?” Nu antwoordde Petrus: “De Gezalfde van God.”
21Maar Hij verbood hun nadrukkelijk dit aan iemand te zegen. 22“De Mensenzoon – zo sprak Hij – moet veel lijden en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden, maar na ter dood te zijn gebracht zal Hij op de derde dag verrijzen.”
New Revised Standard Version Updated Edition (NRSVUE)
“Copyright © 2021 National Council of Churches of Christ in the United States of America. Used by permission. All rights reserved worldwide.”
Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.